'Geef die jongen een huis, kom op!'

Publicatiedatum: 05-03-2019

Dronten in de jaren 60

2019 is een speciaal jaar voor ons. Oost Flevoland Woondiensten (voorheen: Woningbouwvereniging “Oost-Flevoland”) bestaat een halve eeuw! 50 jaar waarin we heel veel mensen van een woning hebben voorzien. Dit jaar staan we dan ook op verschillende manieren stil bij verleden, heden en toekomst. In de komende uitgaven van de OFW Vizier leest u mooie verhalen over 50 jaar wonen in de gemeente Dronten.

Polderen om te boeren
In 1918 leidde de Zuiderzeewet tot de afsluiting van de Zuiderzee (en dus het ontstaan van het IJsselmeer) en de aanleg van vier grote polders: de Wieringermeer (1930), de Noordoostpolder (1942), Oostelijk Flevoland (1957) en Zuidelijk Flevoland (1968). Eén van de belangrijkste doelstellingen van de Zuiderzeewet was het creëren van nieuwe landbouwgronden. In de Jsselmeerpolders moesten uiteraard boerderijen, woningen, winkels, scholen en kerken worden gebouwd. In de Noordoostpolder, de oudste polder van Flevoland, was dit de taak van de Directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken), een dienst die viel onder het ministerie van Waterstaat. 

…en om te kunnen wonen
In 1955 werd de Zuidelijke IJsselmeerpolders (ZIJP) in het leven geroepen als bestuursorgaan voor Oostelijk Flevoland. Ook hier had de ZIJP niets te zeggen over volkshuisvesting en woningbouw; dit waren taken van het Rijk. In december 1962 werd de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) opgericht als opvolger van de Directie van de Wieringermeer. 

Van één groot dorp en tien kleine
Van begin af aan was duidelijk dat Oostelijk Flevoland zou bestaan uit Lelystad, de beoogde hoofdstad van de IJsselmeerpolders, en een uitgestrekt agrarisch gebied. Aanvankelijk vond de Directie dat het plattelandsgebied van Oostelijk Flevoland hetzelfde nederzettingenpatroon moest krijgen als de Noordoostpolder: één groot dorp, Dronten genaamd, met daaromheen tien kleinere dorpen. Bouwkundige Wim Revet legt uit: “Het waren allemaal mensen van de Landbouwhogeschool in Wageningen die de plannen maakten. Zij keken naar de landbouw en zeiden:

Hier de dorpen en daar de landbouw eromheen

…naar Dronten, Swifterbant en Biddinghuizen
In de jaren vijftig werd duidelijk dat de oorspronkelijke visie van de Directie achterhaald was. In 1958 was het aantal geplande dorpen rond Dronten teruggebracht tot zes. Daarvan zijn alleen Swifterbant en Biddinghuizen er gekomen. Revet: “De andere zijn niet doorgegaan, om te beginnen door de opkomst van de bromfiets. En er was de mechanische ontwikkeling: de opkomst van de tractor en allerlei andere machines, waardoor er steeds minder landarbeiders nodig waren.”

De eerste bewoners
Op 26 april 1962 arriveerden de eerste bewoners: tractorchauffeur Jan Evert Keesman en zijn echtgenote Boukje. In juni 1963 waren in Dronten al vijfhonderd woningen gebouwd en er waren nog honderd in aanbouw. Datzelfde jaar werd begonnen met het bouwen van de eerste woningen in Swifterbant en Biddinghuizen. De meeste woningen werden gebouwd in opdracht van de RIJP, die ze ook verhuurde. Een woningcorporatie was er immers nog niet.

“Het hoekhuis of ik zoek het hogerop!”
In 1960 begon de RIJP met de bouw van de eerste woningen en bedrijfsgebouwen in Dronten. Een deel van de huizen was bestemd voor haar eigen personeelsleden, hoewel zij het niet altijd voor het uitkiezen hadden. Landbouwkundige Jan de Graaf uit Friesland werd in 1968 benoemd tot opziener der Domeinen voor de RIJP in het rayon rond Biddinghuizen. Hij moest daar ook gaan wonen. De Graaf vertelt:

Naast ons in de barakken op het Ottoplein was de afdeling Huisvesting van de RIJP gevestigd. Ik ging naar de kamer waar dat kantoor zat. Ik zeg: ‘Er worden nieuwe huizen gebouwd. Dat hoekhuis, dat wil ik wel hebben.’ De ambtenaar zei: ‘Dat wil ik wel hebben… Daar ga ík over!’ Ik zeg: ‘Daarom ben ik hier! En als ik dat huis niet krijg, ga ik naar onze grote baas in Zwolle!’ Toen kregen wij dat huis

Op fietsafstand van het strand
Revet werkte begin jaren zestig voor het bouwbedrijf Schrale’s Beton in Zwolle. Hij vertelt: “Op een gegeven moment kon ik een klein flatje krijgen in Zwolle. We hadden twee kinderen. Toen heb ik gezegd: Ik ga solliciteren op elke functie die mij betere huisvesting biedt.” Het openbaar lichaam bood deze huisvesting; vandaar dat Revet solliciteerde naar de functie van technisch hoofdambtenaar. Hij kreeg deze baan en besloot zich te vestigen in Biddinghuizen, omdat dit dorp in de buurt van het water ligt: “Als je in Dronten woont en naar het strand wilt, moet je de kinderen altijd brengen of halen. Vanuit Biddinghuizen kunnen ze op de fiets daarnaartoe.”

Huizen voor het uitkiezen
Bert Kijk in de Vegte kwam in 1963 met zijn ouders in Dronten terecht. De familie Kijk in de Vegte woonde tot die tijd in Zevenhuizen, een dorp ten noorden van Rotterdam. Bert Kijk in de Vegte vertelt: “Mijn vader en moeder komen eigenlijk uit Ommen en Hasselt. Ze wilden weer een stukje dichterbij komen wonen. Toen kwamen ze hier.” Het echtpaar werd door de RIJP met een bus rondgereden in Dronten en had de huizen voor het uitkiezen. Ze kozen voor een huis aan de Kampanje. 

Geen hinder van wachtlijsten
Ook werknemers van aannemers die voor de RIJP huizen bouwden, konden in Dronten een woning krijgen. Dat gold voor Gerard Corjanus, die uit Kampen kwam en in Oostelijk Flevoland als schilder voor een aannemer uit Huizen werkte: “Ik kwam hier, was aan het werk en toen kwam mijn baas bij me: Wil je hier geen woning hebben? Dat wilde ik wel.” Zijn baas stuurde hem naar de afdeling Huisvesting van de RIJP. Corjanus: “Mijn broer stond tien jaar op de wachtlijst voor een klein flatje in Kampen, en ik mocht gewoon een huis uitkiezen.” Hij koos een huis in de Fokkestraat.

Van de Wieringermeer naar Dronten
Werknemers van grote loonbedrijven hadden soms geluk. Dat geldt voor Ton Boot, die vanuit de Wieringermeer naar Dronten was gekomen. Hij werkte als tractorchauffeur voor het loonbedrijf van Jan Maris. Zijn vrouw woonde met twee kinderen in de Wieringermeer. Boot wilde zijn gezin naar Dronten halen, maar de ambtenaar van de afdeling Huisvesting van de RIJP weigerde hem daar een huis toe te wijzen. Hij kon wel een huis in Swifterbant of Biddinghuizen krijgen, maar dat wilde Boot niet. Hij ging naar Maris en vertelde hem dat het zijn laatste werkweek was. Boot vertelt: “Maris zegt: Maar waarom? Ik zeg: ‘Ze willen mij geen huis in Dronten geven.’” Boot ging weer aan het werk, maar niet voor lang.

“Geef die jongen een huis, kom op”
Hij vertelt: “Nog geen twintig minuten later riep Maris: ‘Ton, sleutel halen!’ Ik op de fiets naar de Rijksdienst. Daar zat die ambtenaar, met een rooie kop. Hij was woest. Hij zegt: ‘Ja!’ Ik: ‘Ja, ik kom mijn sleutel halen.’ Hij zegt: ‘Ja, dat heb ik gehoord! Je kunt daar, daar en daar wonen.’” Maris had dus een huis voor Boot geregeld: “Hij zat met de grote jongens van de RIJP aan dezelfde tafel. Dus hij is naar Huisvesting toe gewandeld: "Mensen, doe eens niet zo vervelend! Geef die jongen een huis, kom op!" Het kan zijn dat de RIJP Boot aanvankelijk geen huis in Dronten wilde toewijzen, omdat de dienst zoveel mogelijk woningzoekenden naar Biddinghuizen en Swifterbant wilde sturen. Het jonge echtpaar Kees en Els Steert wilde eind jaren zestig ook een huis in Dronten, maar ze
kregen te horen dat er een wachtlijst was. Het zou wel eens een jaar kunnen duren voordat er een huis beschikbaar zou komen. In Swifterbant konden ze wel snel een woning krijgen; aan De Greente stond een huis leeg. Els Steert: “We hadden daar veel ruimte, dus we hebben het geaccepteerd.” 

Groot en comfortabel
De woningnood was in de jaren zestig volksvijand nummer één. Op het oude land waren de woningen schaars. Veel jonge stellen woonden noodgedwongen in bij de ouders van één van de echtgenoten. In Oostelijk Flevoland waren er niet alleen veel huizen beschikbaar, ze waren voor die tijd ook nog Bouw Chaletwoningen in Dronten. Het gezin waarin Bert Kijk in de Vegte opgroeide telde zes kinderen. Zij hadden in Dronten vijf slaapkamers. Hij vertelt: “Dat kenden wij helemaal niet, want wij kwamen uit Zevenhuizen en daar woonden we in een kleine arbeiderswoning die bij een boerderij stond. Beneden hadden we daar een slaapkamer, waar mijn vader en moeder sliepen. Boven hadden we een zolder, en daar waren dan slaapkamertjes in elkaar geknutseld.” Gerard Corjanus kreeg in Dronten een huis met vier slaapkamers, een douche, een huiskamer en een gecombineerde kamer en keuken: “Mijn ouders, die met negen kinderen in de Schokkerbuurt van Kampen woonden, zeiden: ‘Jij in zo’n grote woning!’ Dat was toentertijd geweldig.”

De voorzieningen waren niet optimaal
In de begintijd waren de voorzieningen in het plattelandsgebied van Oostelijk Flevoland niet optimaal. Jan de Graaf vertelt: “Toen wij in Biddinghuizen gingen wonen, hadden we elke zondag familie en vrienden op bezoek om te kijken in welke negorij wij woonden. Zij zeiden:

Hoe krijg je het voor elkaar om hier te gaan wonen? Dit is toch niks!

Een paar straten en dat was het.” Mario Ehlting, die in 1968 vanuit Delft naar Dronten kwam, vertelt over de winkelvoorzieningen van die dagen: “Je had dus Het Ruim. Daar had je een bakker, een slager en een melkboer. Dan kwam er ook nog een SRV-wagen langs de deur. De kapper was er, kapper De Groot. Bos, de sigarettenzaak; heel belangrijk in die tijd. En Wouda, wat nu Expert is. Dat was het eigenlijk zo’n beetje.” Die winkels voorzagen niet in alle behoeften; voor een broek of schoenen gingen veel mensen naar Kampen. Lagere scholen waren er in Dronten wel, maar de eerste school voor lager technisch onderwijs en huishoudonderwijs kwam er pas in 1968. Bert Kijk in de Vegte bezocht dan ook een LTS in Kampen.

Korting op de huur
De huurders van de RIJP kregen in de eerste jaren een korting vanwege de ‘onvolkomenheden in de samenleving’. Gerard Corjanus legt uit hoe dat werkte: “De huur was destijds 104 gulden. Ik kreeg zeven jaar lang een tegemoetkoming van twee gulden per jaar. Dat ging dus van de huur af. Je begon bij 92 gulden en ieder jaar kwam er twee gulden bij, totdat we bij 104 uitkwamen. Dat was ontberingstoeslag.”

“Het was een hele fijne tijd”
Veel oudere Drontenaren kijken met plezier terug op die eerste jaren. De saamhorigheid was groot, herinnert Ton Boot zich:

Je kende bijna iedereen. De auto stond voor: sleutel erin, papieren erin en open. ’s Avonds de deuren op slot draaien? Zeg, doe eens niet zo gek! Je vertrouwt je buren toch wel!

Mario Ehlting woonde eind jaren zestig aan Het Vooronder, maar hij werkte bij een drukkerij in Kampen. Daar ging hij met de bus naartoe: “Als ik ’s ochtends niet op tijd was, kwam de buschauffeur bij huis langs om ons op te halen. Het was een hele fijne tijd.”


Aan het woord

  • Wim Revet – oprichter en voormalig voorzitter Woningbouwvereniging “OostFlevoland”
  • Jan de Graaf – voormalig voorzitter Woningbouwvereniging “Oost-Flevoland”
  • Bert Kijk in de Vegte – medewerker OFW
  • Gerard Corjanus – voorzitter Huurders Belangen Vereniging (2011-2018)
  • Ton Boot – huurder OFW Kees en Els Steert – huurders OFW
  • Mario Ehlting – huurder OFW en een van de oprichters van de Huurders Belangen Vereniging

Meer verhalen van toen lezen? In de OFW Vizier van april: 'Wie bouwt heeft gelijk' - Sociale woningbouw in de jaren zeventig

 
Annuleren

Waarmee kunnen wij je helpen?

Begin hier met zoeken!

Geen resultaten gevonden